Konijnendag

Konijnendag

Er hangt een affiche aan het raam. Zonder kijken loop ik erlangs.
‘Konijnendag,’ hoor ik achter me.
Ik stop. Draai me om. Een kleine vrouw is blijven staan, haar bejaarde echtgenoot loopt door.
‘Konijnendag,’ herhaalt ze luid. Haar man stopt.
‘Wat is dat dan?’ vraagt hij. ‘Zeker de hele dag konijnen eten.’
Jordanese humor. Zijn Jordanese vrouw kan het niet waarderen. Ze kijkt naar hem zoals ik net iemand naar een te koop aangeboden berg visafval heb zien kijken. Geen liefhebber.
Hij steekt een sigaret op. Pall Mall. Er was een tijd dat bijna iedereen Pall Mall rookte. Of Stuyvesant of Camel. Dat was in Jordaanse cafe’s.
De bejaarde man hoest en spuugt een fluim. Zijn vrouw zucht. Ze draait haar ogen naar boven, tenminste, dat lijkt me zo. Het is er het juiste moment voor. Ik loopt terug en ga naast haar staan. Zwijgend bekijken we het affiche. Geel papier met opgeplakte konijnenkoppen. Stevige letters, met vaste hand opgeschreven door een daadkrachtige leidster. Met een trillende vinger volgt de Jordanese de woorden.
‘We gaan de hele dag konijnen aaien,’ leest ze hardop. ‘Hoor je dat Jan? Ze gaan de hele dag konijnen aaien.’
Jan zegt niets. Schiet nog een fluim.
‘En de hele dag konijnen verzorgen.’
Jan zegt nog steeds niets, hij leunt tegen de muur, hij wacht, hij heeft vaker met dit bijltje gehakt.
‘En weet je wat ze nog meer gaan doen?’ Zo zacht klinkt haar krakerige stem dat zelfs ik het nauwelijks kan verstaan. ‘Konijnenmaskers maken!’
‘Wat?’ roept Jan de Jordanees.
Ze lacht vals. ‘Konijnenmaskers maken!’, schreeuwt ze over straat. Ze loopt naar haar man, steekt haar arm door de zijne en trekt hem mee.
‘Nee, niet ván de konijnen. Vóór de konijnen.’ Haar lach kakelt om hen heen. Jordanese humor. Ik zeg het nog maar een keer.