Giftig

Het vrachtschip lag op de waterplaats. Een niet best onderhouden Kempenaar. Een schip waar ‘wat werk aan zit.’ Zo zou mijn vriend dat zeggen. ‘Een vieze stinkroestbak,’ zei de buurvrouw. Zij kan het weten, ze is zelf schipper op een roestbak.
Hoewel de waterplaats alleen gebruikt mag worden door schepen die willen tanken, lag deze stinkroestbak al drie uur doelloos te niksen. De tankdop stevig dichtgedraaid in het gangboord. Het enige dat bewoog aan boord was een hond. Wanneer je ook een hond ‘een vieze stinkroestbak’ zou kunnen noemen, dan kwam dit exemplaar voor de titel in aanmerking.
Er kwam een tweede vrachtschip aan. Het wilde water tanken. Toen de maat een lijn om de bolder van de roestbak wilde gooien, ging daar de deur van de stuurhut open.
‘Niks daarvan,’ zei de man die de schipper van de roestbak moest zijn, al leek hij meer op een klassieke landloper. Hij droeg twee broeken over elkaar, groezelige bretels hielden zijn buik in toom. Hij leek er trots op dat er met hem geen discussie te voeren was; al na vijf minuten droop de andere schipper af.
Tien minuten later kwam er opnieuw een schip langszij. De waterpolitie. Die liet zich niet wegsturen. Een van de waterdienders stapte aan boord. Met hem bleek nog minder discussie te voeren. De agent keek met zijn armen over elkaar geslagen toe hoe de schipper de motor startte. Zwarte pluimen schoten uit de uitlaat, dikke rook omhulde de stuurhut. Op dat moment opende zich het luik van de machinekamer. Alsof met de motor ook het monster was aangezet, kwam het wezen langzaam omhoog, de trap van de machinekamer op.
Tja, hoe zal ik het monster omschrijven? Er was veel haar, een mensachtige romp vol besmeurde olielappen en een zwart geblakerd stuk huid met een gat erin. Daar kwam een grommend geluid uit dat gaandeweg in verstaanbare tekst overging: ‘Pas maar op, jij duivel. Je zal branden in de hel.’
Het bleek de schippersvrouw. Ze gebaarde naar haar man die aan één woord genoeg had. Hij trok de touwen van de bolders op de kade en draaide aan het stuurrad. Terwijl het schip los kwam van de wal, bewoog het monster langzaam richting waterdiender. ‘Je bent giftig. Je bloed zal koken. Je tong zal groen uitslaan en splijten omdat je tot mij sprak.’
Met meer vaart dan je van een stinkroestbak zou verwachten, koerste het richting IJ. Daar sloeg het linksaf, het Noordzeekanaal op. De diender aan boord stond versteend. Zijn maat op de politieboot trouwens ook. Langzaam zag ik de stinkroestbak richting IJmuiden verdwijnen.