Boekenbal

Hoe het op het boekenbal was, vroeg een kennis. Ik antwoordde dat ik halverwege de avond mijn garderobekaartje was kwijtgeraakt. Niet het gewenste antwoord zo bleek. Wel het meest eerlijke, want het kwartier dat ik doorbracht tussen de jassen in de Stadsschouwburg is het duidelijkst blijven hangen in mijn geheugen.
Een non-fictieschrijver moet research doen. Indrukken oppikken, verse verhalen zoeken, snuffelend, zoals een hond een spoor zoekt. Dus toen de garderobejuffrouw na een vruchteloze poging mijn jas te vinden mij voorstelde zelf te gaan zoeken, ging ik gretig akkoord.
In de garderobe viel genoeg te snuffelen. Onuitgesproken zwarte leren jassen naast wufte bontjes, serieus ogende paraplu’s, een rolkoffer met stikkers van de Efteling en in een hoek een paar slordig neergegooide skeelers waar ik me geen schrijver op visualiseren kon. De volgestouwde rekken stonden dicht opeen gepakt, in de garderobe is iedereen gelijk. Jassen kennen geen rangorde. Pas wanneer er iemand inzit begint het onderscheid.
Na tien minuten vond ik mijn jas. Ik liep ermee naar de uitgang van de jassenopslag. Er stond een rij wachtenden die mij gretig hun garderobenummers toestaken, mijn feestelijke kledij ten spijt. De schrijver die zijn bon in mijn hand duwde, herkende mij niet als collega die pasgeleden met hem aan tafel zat in een radioprogramma. Ik bracht hem zijn jas. Het garderobemeisje gniffelde. Pas toen ik zijn fooi weigerde keek hij me recht aan.
‘He, jij hier?’ zei hij. Hij leek niet verbaasd mij aan de personeelskant aan te treffen.
‘Tja,’ antwoordde ik. In de stilte die volgde, vroeg ik hoe het met hem ging. Hij antwoordde dat hij ‘de NRC en de Volkskrant binnen had, en nu voor het Parool ging.’ Lachend stak hij zijn hand op en verdween door de glazen deur. Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Hij bedoelt dat het goed gaat,’ legde het garderobemeisje uit, ‘recensies weet je wel?’ Ze lepelde nog wat ervaringen uit haar garderobepraktijk op.
‘Waarom schrijf jij geen boek?’, vroeg ik en keek om me heen, ‘inspiratie genoeg.’
Ze lachte. ‘Het zou niks worden. Je weet wel: waar gebeurd is geen excuus.’ Ik trok mijn wenkbrauwen maar weer eens op. ‘Citaat van Gerard Reve,’ zei ze. Met een garderobebon tussen haar vingers verdween ze tussen de rekken. Boven de jassen zweefde nog één keer haar stem: ‘En schrijvers hebben altijd gelijk.’