Ruis

Ik zag een programma over Rudy Kousbroek. Drie man besprak de mens die nu een jaar dood is. Er was teveel ruis in de ruimte om me te kunnen concentreren. Die ruimte stond model voor mijn hoofd. Daar heerst ook heel wat ruis.

Ik streelde de buik van mijn puppy. Teer vel, donkere vlekken schemerden onder het roze. Bij jong leven klopt het hartje aan de oppervlakte.
Plots hoorde ik een stem, luid en duidelijk. Het was Kousbroek zelf. Hij droeg een gedicht voor. Mijn hoofd werd helder als de schoongeblazen hemel van waaruit hij sprak.
‘Lief kind
Ik weet dat je nog niet slaapt maar ligt te luisteren
het is niet de wind die je om de bomen hoort ruisen
maar je naam
het zijn niet de regendruppels die je hoort vallen
maar het verlangen
het zijn niet de schelpen die heen en weer rollen over de vloedlijn
maar de herinneringen
verloren speelgoed
vergeten woorden
weggeraakt zonlicht
maar nu weer begonnen
het zijn niet de dingen van nu die je hoort gebeuren
maar dingen van vroeger
zo zullen we altijd bij elkaar zijn
alles is al eens eerder gebeurd’
Toen was het stil. Het beestje bewoog onder mijn handen. Op de televisie sprong het beeld weer op ruis.