Duikpaard

Een paar jaar geleden kreeg ik ‘Opgespoorde wonderen’ van Rudy Kousbroek kado. Een boek vol foto’s met elk een bijbehorend essay. De foto op de voorkant is meteen de mooiste. Een paard staat op de rand van een waterval, het zadel hangt aan de zijkant van zijn lichaam. Meer eigen woorden kan ik jammer genoeg niet aan de foto besteden: Kousbroek is me afdoende voor geweest.
De passage in de tekst die me het meest raakt is de volgende:
‘Ik kijk naar die foto en de angst slaat me om het hart, ik zou wel terug willen gaan in de tijd om dat paard te redden. Wat er met de rijder gebeurd is houdt mij minder bezig, dat is immers een mens, begiftigd met het vermogen zijn situatie te analyseren, die is tenminste in staat om te begrijpen wat er met hem gebeurt; dat paard niet, het is weerloos aan het noodlot overgeleverd’.
Ik heb genoeg paarden gekend om te weten dat het waar is. Maar niet zozeer de weerloosheid zelf doet pijn, het werkelijke schrijnen zit ‘m in het onvermogen om met die weerloosheid om te gaan. De treurnis in mijn hart is groter bij het zien van een kudde paarden op een onderlopende terp, dan bij een groep mannen die klem zitten in, ik noem maar wat, een mijn. Hoewel je je af kunt vragen of een slimmer dier het zover had laten komen. Zou een groep leeuwen hebben gewacht met waden totdat een soortgenoot ze kwam halen? Blijkbaar moet een ander wezen een paard overtuigen dat het zijn noodlot kan buigen.
Een weerloos wezen kun je van alles wijsmaken. Er is maar één slechterik nodig om hem de verkeerde kant op te sturen. Naar beneden bijvoorbeeld, in plaats van rechtdoor. Bovenstaande foto is, net als die van Kousbroek’s paard, in 1940 genomen. Omdat hij er niet over heeft geschreven mag ik dat nu doen. Ik zal het kort houden: weerloosheid is een gevaarlijke hobby.