Wipneus

Op koninginneavond deed ik een oesterklusje. Mijn vriend de Oesterman en ik openden in een uur tijd zo’n tweehonderd schelpen voor een honderd-koppig gezelschap. Krakend verplaatsten we ons tussen de gasten, elk een draagbaar oesterbarretje om ons middel gegord.

Het gezelschap, dat voornamelijk uit heren bestond, had net een tweedaags congres achter de kiezen. Onder de tegen het plafond gespijkerde portretten van Jezus Christus en andere heiligen hadden ze urenlang geluisterd naar lezingen over hooikoorts, keelkanker en opgezwollen bronchiën. De schuilkerk leek een uitgelezen plek voor de samenkomst van de KNO-artsen. Het was er stil en sereen als in een juist schoongespoelde mondholte.

De stemming na afloop van het congres was monter. Het woord uitgelaten zou ik niet willen gebruiken voor de artsen die zich voor deze gelegenheid overwegend in krijtstreepkostuums gestoken hadden. Met vaste hand reikten ze naar de glazen champagne die stonden uitgestald op het buffet. En de meeste’n lusten ook best een oester, ‘Zeker wel dame.’

De tijd tussen het openen en het serveren van een oester is niet erg groot, een seconde of zeven. Toch leken sommige neus-en keelspecialisten me al vergeten zodra ze hun bestelling gedaan hadden. Ze schenen me niet meer te herkennen wanneer ik hen de geopende oester aanbood en keken me verbijsterd aan bij mijn vraag of ze die puur of met citroensap wilden eten.

De arts die aan een statafel een kaassoufleetje stond te eten, keek echter belangstellend naar mijn oesteremmer. Of dat wel kon, vroeg hij, een oester na een kaassoufleetje. Ik pakte een oester. Hij keek toe hoe het mes in de schelp gleed, hoe die zich opende nadat de spier was doorgesneden. Toen ik het weekdier lossneed, begon hij mompelend te spreken. ‘Wij hebben het twee dagen gehad over neuzen. Over mooie neuzen, lelijke neuzen, onaangepaste neuzen, verstopte neuzen. Hoe zit het eigenlijk  met uw neus?’ Hij keek me recht aan. ‘U heeft een wipneus. Bevalt hij u wel?’

‘Ja’, antwoordde ik, ‘sinds een jaar of vijftien kan ik goed leven met mijn uiterlijk.’

‘Mooi’, zei hij, ‘dat scheelt mij een operatie.’ Hij liet de oester naar binnen glijden, kauwde even en stond toen op. Zijn neus stak hij in de wind. ‘Ik wens u een fijn weekend. U en uw charmante wipneus.’