Je beste vriend

Bij een kennis hangt een foto aan de muur. Het jongetje dat erop staat zal een jaar of zeven zijn, hoewel dat een wilde gis is; ik ben niet goed in het schatten van kinderleeftijden. Het kleine mannetje staat aan de rand van een zwembad. Naast zijn schonkige kinderlichaam zie je blauw klotsend chloorwater en de drijvende lijn die het bad in banen dwingt. De foto is ontroerend, het wordt me wee om het hart wanneer ik er naar kijk. De uitstaande schouderbladen, teer als kippenvleugels, rillend vel dat al vooraf protesteert tegen de kou van het water. Het jongetje is een stil eiland in een zee van kinderen die eenstemmig plezier hebben in al die dingen die het jongetje van angst lijken te vervullen. In een poging zichzelf te beschermen, heeft hij zijn armen om zijn lichaam geslagen.
Onlangs sprak ik met een wijze dame. Ons gesprek ging over eenzaamheid. We deelden de gedachte dat eenzaamheid zich pas aandient wanneer je jezelf mist en dat die leegte nooit gevuld kan worden door ongeacht hoeveel anderen dan ook.  ‘s Middags bladerde ik bij de apotheek door een tijdschrift. De doelgroep bleek uit jongeren met een chronische ziekte te bestaan. Er stond een artikel in over eenzaamheid. ‘Eenzaamheid heeft weinig te maken met de hoeveelheid vrienden die je hebt, noch met de activiteiten die je met anderen onderneemt’, stond er, of althans, iets van die strekking. In de conclusie dat eenzaamheid in jezelf zit en daarmee alleen door jezelf valt op te lossen, kon ik mij vinden. Toen het blad begon over virtuele vrienden die je handicap niet kunnen zien, haakte ik af. Wanneer zichtbare vrienden je eenzaamheid niet kunnen wegnemen dan kunnen onzichtbare het zeker niet.
Gister zag ik de foto van de zwembadjongen opnieuw. Soms is het leven als zo’n driedimensionale ansichtcard: het ligt er maar net aan vanuit welke positie je er naar kijkt. Het jongetje leek opeens niet meer alleen, iemand nam hem in een omhelzing. De armen waren van zijn beste vriend: hijzelf.