Herken-ontkenning

Mijn vriend de oesterman vroeg mijn assistentie bij de opening van het IDFA festival. Na de première stroomden de gangen van Tuchinsky vol met documentaire-kijkers die opvallend veel zin hadden in oesters. Met z’n drieën kraakten we razendsnel 500 oesters weg. Toen ik aan mijn laatste volle emmer toe was, werd ik aangeschoten door een aardige man. Hij vroeg of ik wat oesters wilde openen voor hem en zijn collega’s; zij vormden het hart van de IDFA-commissie.
Toen ik nog praktiserend vormgever was, ‘deed’ ik drie jaar aaneen de aankleding van het documentaire festival. Derhalve had ik met een aantal mensen van dat hart te maken. Nu ik hen, jaren later, recht in de ogen keek, blonk daar geen glimp van herkenning in. Nadat ik hen een tweede, derde en zelfs vierde oester had gepresenteerd, realiseerde ik me dat ikzelf ook geen blijk van herkenning had gegeven. De wederzijdse herken-ontkenning maakte me ongemakkelijk. Het raakte aan de onrust die je voelt wanneer je doet alsof je iemand niet gezien hebt: wanneer de ander jou dan opmerkt moet je glashard liegen om niet als onaardig te worden versleten.
Niet herkend worden roept een gevoel van onzichtbaarheid op. Soms is dat  plezierig: wanneer het je ontheft van een gesprek waar je geen zin in hebt. Maar het geeft ook verwondering: waarom herinner jij de ander wel? Zegt dat iets over een beter geheugen of over het missen van karakteristieke kenmerken die het makkelijk maken om herinnerd te worden?
Zelf heb ik een goed geheugen voor mensen. Alleen het plaatsen van die herinnering is soms een probleem. Dat kan tot ontluisterende situaties leiden. Zo heb ik eens een man achtervolgd waarvan ik wist dat ik hem kende. Dagen peinzen uit welke hoek van mijn wijdlopig leven, leverde niets op. Het bleek de groenteboer te zijn. Andersom is me ook overkomen: toen ik besloot de makkelijkste weg te kiezen, vroeg ik een vrouw waar ik haar van kende. Het bleek een actrice die regelmatig op televisie kwam. Deze voorvallen ontnamen mij niet de trots een goed geheugen te hebben voor gezichten.
Toen ik terug liep met de lege oesteremmer, vond ik nog een verdwaalde schelp onder het wier. Ik presenteerde hem spontaan aan een vrouw die me lachend aankeek. Haar glimlach verdween toen ik hem opende.
‘Ik ben die vrouw die geen oesters lust,’ zei ze. Ik keek haar niet begrijpend aan. ‘Dat heb ik je het afgelopen uur al twee keer gezegd. Maar blijkbaar maak ik geen indruk.’ Ze draaide zich boos van me af.
Sinds die avond is mijn kijk op mijzelf veranderd.