Vleesloosheid

In de VPRO gids staat een stukje over VPRO’s ‘vis noch vleesdag.’ Op maandag zetten de koks van de televisiekantine kroketten zonder vlees in de vitrine, naast tonijnsalade zonder tonijn. Beide producten zien eruit als het origineel met vlees of vis. De schrijver van het artikel vraagt zich af ‘waarom vleesvervangers niet gewoon zichzelf kunnen zijn.’ (Waardoor ik me dan weer afvraag wie of wat een ‘zichzelf zijnde vleesvervanger’ precies is, maar dat is een ander onderwerp.)
De zin verwoordt de verwarring die mij regelmatig overvalt wanneer ik in de supermarkt vleesloze worsten naast echte biefstukken zie liggen. Pas wanneer je het etiket leest, weet je bij welk artikel het niet om een dierenproduct gaat. Wanneer je analfabeet bent kun je zo jarenlang vegetariër zijn zonder het te weten.
Het heeft iets kinderachtigs, dat doen alsof. Alsof je denkt je hersens in de maling te kunnen nemen wanneer tekst en beeld tegenstrijdige signalen afgeven. Het wordt een strijd tussen twee verschillende uitdrukkingswijzen. De vraag is welke van de twee wint.
Ik kan zeggen dat ik me met beide vormen bezighoud. Wanneer iemand vraagt waar mijn voorkeur ligt, antwoord ik om en om ‘tekst’ of ‘beeld’. Daarmee verdoezel ik mijn frustratie dat het mij tot op heden niet is gelukt de twee te combineren tot een eenheid waarbij beiden evenveel gewicht hebben.
Gister heb ik een vegetarische worst gekocht en het pakje aan de muur van mijn atelier gespijkerd. Na een dag kijken schieten mijn ogen niet meer heen en weer tussen de worst en het etiket. De twee zijn een geworden; getransformeerd tot de perfecte, evenwichtige combinatie van beeld en woord. Van vorm en inhoud. Ik pleit voor een plekje aan een museumwand.