Slingervast

In mijn verzameling ‘interessante artikelen voor je-weet-maar-nooit’, vond ik een stuk over de Princess May. Dat is het passagiersschip dat in 1910 bij Alaska op een rots liep. Toen het water daalde zat het schip vast in een hoek van minstens 30 graden. Rascha Peper zou er graag een roman over schrijven zei ze. Over de kapitein die dertig dagen op het schuine schip moest doorbrengen. Ze vroeg zich af of de man nog water aan boord had om zijn bad mee te vullen, hoe vaak hij zijn vulpen liet vallen bij het schrijven van zijn logboek. Of de matroos ondanks de scheefte toch het dek moest schrobben en de koksmaat zich stiekem met een matje naar beneden liet glijden. Herkenbare gedachten wanneer je zo’n foto ziet.
Sinds ik werk aan een nieuw boek over mijn eigen schip is mijn visie veranderd. Wanneer ik spreek met oud-schippers laten zij weinig ruimte voor fantasie of romantiek. Ik verhaal over een moeizame IJsselmeer overtocht waarbij ik bang was voor mijn hachje maar trots op de stabiele kracht van het schip. De schipper antwoordt bedaard: ‘Een schip kan meer hebben dan haar bemanning.’  Ik vertel over de magische stilte bij het droogvallen op het wad, de schipper klaagt dat die tijd nooit genoeg was om het schip in een keer te kunnen boenen en teren.
Nuchter kijken neemt het verlangen naar romantiek niet weg. Wanneer het schip kraakt en tikt als  ze vaste bodem voelt, weet ik dat het staal zich zet, maar verbeeld me dat MS Henriette spreekt. Wanneer haar kop majestueus weg zwaait van de kademuur, weet ik dat mijn vriend de boegschroef bedient. Maar liever denk ik dat ze met haar  neus in de wind het ruime water zoekt.
Voor kerst vertrokken mijn buren met hun spits richting Groningen. Ze  hadden de kerstboom zorgvuldig opgetuigd: het is goed schemeren in een sfeervol schip. Ik zag het voor me. Maar in mijn hoofd morde  een schipper: ‘slingervast.’ Ze moesten het IJsselmeer nog over.