Wonderen

Voorin het boek ‘De hoofdletter pijn’ van Ramon Gieling staat het volgende citaat: ‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik niet denken aan een wonder. Ik zou gewoon denken: Luis, daar heb je nou weer typisch iets wat je niet begrijpt.’
Het citaat is geschreven door Luis Buñuel. De mensen die ik het voorlas vonden het mooi. Ik twijfel. De uitspraak suggereert dat een wonder niets meer is dan iets dat niet begrepen wordt. Daarmee wordt een wonder afhankelijk van persoonlijke kennis.
Niet alles wat onbegrepen is, is een wonder. Daarentegen is de eis voor een wonder dat het onbegrijpelijk moet zijn. Of liever: rationeel onverklaarbaar. Veel mensen houden daar niet van; het geeft maar onrust. Onlangs zag ik een televisieprogramma waarbij een performer die pretendeerde paranormale contacten te hebben werd ontmaskerd. In plaats van helderziendheid praktiseerde hij ‘cold reading’; een methode waarbij een medium zijn antwoorden niet ‘van boven’ krijgt, maar door slimme observatie van de persoon in kwestie. Waar de makers van het programma aan voorbij gingen was het werkelijke wonder: de wil van zo veel kijkers om er in te geloven. Ondanks het risico dat ze bedot konden worden.
De lol van wonderen is juist dat ze onbegrijpelijk zijn. Ze zijn het zout in de pap van voortkabbelend leven. Dat mensen het koppelen aan religie of spiritualiteit is een persoonlijke keuze; ikzelf koppel het liever aan kijken met open vizier.
Hoewel het wellicht ongepast is gezien de beroemdheid van de filmmaker, zou ik Buñuel’s uitspraak willen lenen en aanpassen naar eigen behoefte:
‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik denken aan een wonder. En ik zou gewoon denken: wat fijn dat ik het niet begrijp.’