Levend paradijs

Er stond een vreemde foto in de krant, een foto van alleen maar roze stoelen. Daartussen scharrelde een persoon die op iedere zitting een bosje bloemen legde. ‘Een stoel voor elk slachtoffer van het beleg van Sarajevo (1992-1995)’ las ik. De stoelen, 11.451 stuks, stonden opgesteld op de Maarschalk Tito Bolulevard in het centrum van de stad. Ik probeerde me voor te stellen hoeveel ruimte 11.451 stoelen innemen, hoe groot dat roze veld moest zijn. Het leek me een indrukwekkend beeld. Wel vond ik het jammer dat het tastbaar maken van de doden door middel van roze stoelen moest gebeuren; de foto riep een Blokker-advertentiegevoel op. Ik zou de voorkeur hebben gegeven aan gebruikte stoelen, liefst die van de gestorvenen zelf. 11.451 verschillende stoelen: de doden zouden niet moeilijk te visualiseren zijn.
Ik probeer me voor te stellen hoe groot de plek moet zijn om alle doden, door oorlogsgeweld gevallen, te eren. Zelfs zonder ruimte-verslindende stoelen zal een flinke stad niet groot genoeg zijn. Wanneer alle gevallenen dicht tegen elkaar aan zouden worden gezet, kunnen ze vermoedelijk een groot land vullen.
Er bestaat een religie die gelooft dat de doden in deze wereld voort leven; echter net naast de dimensie waarin de levenden zich bevinden; die kunnen hen daarom niet zien of voelen. Wanneer je die gedachte omarmt, zijn je eigen doden nooit ver weg.
Het zou troostrijk kunnen zijn hen een eigen land te geven. Een land waar wij levenden op bezoek mogen komen. Een lege plaats waar verdriet om verlies een gewone zaak is. Waar rust heerst en treuren louterend werkt. De dieren zullen het ontdekken en blijven omdat er geen gevaar dreigt, planten zullen weelderig groeien zolang de levenden niet ingrijpen. Stilte zal de wind hoorbaar maken, zuiverheid de hemel maria-blauw kleuren.
Wanneer ik dit stukje teruglees besef ik wat ik beschreven heb: het spreekwoordelijke paradijs. Misschien is dat toch maakbaar voor de levenden. Met dank aan hun doden.