Opgeruimde geschiedenis

We varen met ons schip door Nederland. Oude vaarroutes voor een nieuw te schrijven boek.
Van de werf in Papendrecht waar het schip gebouwd werd in 1901 is geen staalsplinter meer terug te vinden. De rivieraftakking waarin het schip eens te water ging, is verworden tot een stilstaand slootje. Losgesneden van woest levend water.
‘Wel zo veilig,’ zegt de plantenverkoper. Hij runt zijn nering halverwege de oude dijk die nu meer als een slordige straat oogt. Waar vroeger tientallen scheepswerven, machinefabrieken en timmerwerkplaatsen floreerden, heerst nu de stille kracht van vergane glorie. Failliete bedrijfjes, verzakte loodsen, een kringloopwinkel die maar drie dagen per week geopend is. Verkeer perst zich over het asfalt dat te smal is voor de geparkeerde auto’s aan beide zijden.
De plantenverkoper kijkt om zich heen. Van de foto’s die ik hem toon uit het begin van de 19e eeuw herkent hij niets. Ook niet het huis van de vroegere werfbaas; het staat verderop en is vrijwel onveranderd gebleven. ‘Ik zie enkel vernieuwing,’ zegt hij, ‘vreselijk is het.’
Hij spreekt schande van het gemak waarmee de geschiedenis wordt opgeruimd, maar wrijft zich in de handen wanneer hij verhaalt over de verkoop van ‘die rotzooi op zijn erf’, een maand of wat geleden. Hij heeft het oude gebouwtje aan het water afgebroken zonder toestemming van de gemeente, stiekem, op een stille zondagmorgen. De oude onderdelen -‘wat houten deurtjes, stalen luiken, wat siersmeedwerk’- leverden hem onverwachts duizenden euro’s op toen hij het via een vriend op een Belgische markt te koop zette.
Wanneer ik mijn vermoeden uitspreek dat het hier wellicht om oude scheepswerfonderdelen gaat, valt hij even stil. Daarna haalt hij onwillig zijn schouders op. ‘Zo hebben we er tenminste allemaal nog wat aan,’ monkelt hij.
‘Waaraan?’ vraag ik. ‘Aan de geschiedenis natuurlijk!’ antwoord hij. Hij vloekt binnensmonds en loopt zijn nering in.