Wereldverschoning

Vijf weken lang liggen we in Linne. Een dorp waar Limburg smal wordt. Waar oprukkend buitenland ons Holland in elkaar begint te persen; België aan bakboord, Duitsland aan stuurboord, om maar meteen in de juiste terminologie te geraken. We liggen op een scheepssloperij, ‘Henriëtte’ is het enige schip dat nog in tact is. De bedoeling is dat dat zo blijft, wij huren slechts ligwater, voor de snijbrander zijn wij te gezond.
De sloperij is van een Limburger van een jaar of 50, type ‘weinig-woorden-veel-zeggingskracht’. Niet alleen is hij de baas, hij is ook het enige personeelslid, zijn vader van 85 jaar daargelaten. Die zit iedere werkdag in de prehistorische loods en sloopt alles wat kleiner is dan de breedte van de deuropening binnenlaat. In het weekend zwelt het personeelsbestand aan tot wel 3 man. Al na twee weken vind ik dat veel: de zaterdag is bepaald onrustig in Linne, zei ik vorige week tegen de sloopbaas.
De sloperij is als een drijvend organisme. Het lijkt los zand, maar is verbonden. Aan stukken geslepen roeren rusten naast doorgesneden rompen, verroeste ankers leunen tegen uit elkaar gereten dieseltanks en  afgedankte aggregaten. Hier bestaat het leven uit schurende scheepsdelen die dicht tegen elkaar aan wachten op een einde. Motorschip Swiebertje is nog niet aan de beurt, maar sleepschip Victor R is in de afgelopen weken gereduceerd tot een nog net drijvende romp, ontdaan van alles wat het schipwaardig maakte.
Het hart van de sloperij is de kraan. Als enige in grond verankerd, kijkt het torenhoog over het groene landschap. Een baken voor de buurt en de rechterhand van de sloper. Zonder zijn kraan is de goede man niets waard. Helemaal alleen gaat de sloper een schip te lijf. Krijsend staal en knetterend ijzer, met branders hitst hij het metaal op tot het kookpunt, lekkend vuur en spetterende vonken worden geblust door het regenwater dat met bakken uit de lucht komt. Voordat een scheepsdeel loslaat, roept de sloper zijn vriend, de kraan. Wanneer de laatste snede is gemaakt, trekt de kraan zijn ketting op: het gesloopte stuk staal bungelt als een papiertje onder het gele gevaarte. Als in een traag ballet draait en rolt de arm. Wanneer het de opslagcontainer vindt, laat het zijn last zakken. Met een bons valt het scheepsdeel neer, nu nog slechts oud ijzer.
Ik vind het geruststellend te weten dat er slechts een man en zijn kraan nodig zijn om de wereld te verschonen. Wanneer het om neergang gaat blijkt het leven heel overzichtelijk.