Naakt land

Limburg in de verre herfst is een ander land dan voorheen. Toonde het naderend verval zich in september nog met nazomerse onverschilligheid; in november kan de natuur de schijn niet meer ophouden. De maisvelden zijn gekapt, de boomgaarden geleegd. Waar boom-barrières je het zicht op de vertes ontnamen kijk je nu tot de einder, over roodbruine akkers met voren die doen denken aan het gestorven gezicht van een oude man. Opeens zijn de hoeves zichtbaar. Voorheen verschanst achter oprijlanen met oude eiken, -bladeren als dakpannen benamen de kijker ieder nieuwsgierig zicht- staan ze nu in naakte robuustheid door het bos heen te schemeren. Waar ik eerder een ree betrapte in hoog opgeschoten gewas, racen nu de hazen, de achterpoten omhoog schietend uit de kale klei.
Het land lijkt kleiner. Naakt. Alles is overzichtelijk geworden. Iedere dag raken de velden rond Sint Odiliënberg verder leeg; de prei is geoogst, evenals uien en venkel. Hoge stapels koolrapen tekenen duistere bergen in de grijze lucht. Wanneer de tractoren met hun alles omploegende apparaten uit de akkers zijn weggereden, daalt de stilte als een smorende sluier op het landschap neer.
Ook de sloperij bereidt zich voor. Aangeleverde houten sluisdeuren worden verzaagd: het stookhout wordt in bakken op het ponton achter de werkschuur gezet. Sloopschepen worden verlegd, een roestig anker neergelaten. De stalen loopplanken tussen de 4 stuks breed liggende  schepen -die ik, als in een lunapark, iedere keer wanneer ik aan of van boord wil moet overwinnen- zijn in de ochtend met ijs bedekt. Het voorheen stilstaande water van de doodlopende Maas-lus stroomt nu in grote haast, koeien loeien melancholisch, de hoeven ver van het koude water.
Voor ons is het tijd om te gaan. Henriëtte start haar motor zo makkelijk als was ze een nomade: altijd bereid om verder te trekken. Ik gooi landvasten los, ze kraken na de rust van weken. Komende dagen moeten ze werken in sluizen met 4 meter verval. De motoren snorren wellustig wanneer we met een jezusdraai de sloperij de rug toe keren.  De mist zuigt ons op, wij worden onzichtbaar. Zoals voor ons Linne onzichtbaar wordt. Het enige dat we, voor we de bocht omgaan nog kunnen ontwaren, is de gele kraan die hoog boven de sloperij uitsteekt en het hele  leven overziet.