Vreemde vrouwen

De zon was verdwenen en het begon juist te miezeren, toen ik hem de bocht om zag komen. Hij had een wat sjofel voorkomen, het soort haveloosheid dat zichtbaar wordt wanneer je beter kijkt. Zijn hondje leed aan dezelfde mottigheid, hoewel de vaalgekleurde vlekken niets te maken hadden met achterstallig onderhoud maar met een aangeboren vachttype.
De man kwam met doelbewuste stappen op mij toe. Hij had iets te vertellen. Toen ik instinctief een pas naar achter deed omdat hij te dichtbij stond, volgde hij mij, waardoor we enkele seconden in een vreemde dans verwikkeld leken.
‘Wat denk je?’ Hij keek me afwachtend aan, alsof ik het antwoord zo uit mijn mouw zou schudden. Toen ik niets zei, stopte hij zijn hand in de zak van zijn beduimelde broek en begon daar wat rond te rommelen. Nu deed ik een ferme stap achterwaarts, in een potloodventer had ik geen trek. Maar zijn hand kwam weer te voorschijn, er zat 50 euro in. ‘Gevonden!’ zei hij triomfantelijk, ‘in mijn broek!’ Zonder op antwoord te wachten, liep hij naar een volgende wandelaarster om hetzelfde verhaal te vertellen.
Een week later zag ik hem weer. De ontmoeting verliep op dezelfde wijze als de eerste keer, al was ik ditmaal niet achterdochtig maar nieuwsgierig.
‘Wat denk je?’ vroeg hij. Ik haalde mijn schouders op en zweeg in afwachting. ‘De hondenbelasting is bij me geweest!’ Toen ik vroeg of hij betaald had, keek hij me grijnzend aan. ’Dat is toch geen hond,’ hij wees naar het vale beestje dat met de staart tussen de poten verderop in het gras stond. Daarna liep hij weg, op zoek naar een nieuwe wandelaarster.
Gister zag ik hem opnieuw. Hij werd staande gehouden door een politieauto. De twee jonge agenten hielden hun betoog door het omlaag gedraaide autoraam, ze vonden het niet nodig om uit te stappen. Van een afstand zag ik de man luisteren, zijn schouders leken met elke seconde verder af te zakken. Toen de auto wegreed bleef hij even staan, tot hij mij zag en met doelbewuste stappen op me afkwam.
‘Wat denk je?’ Hij vroeg het zachtjes. Verderop stopte de auto, de agent draaide het stuur onze richting op. De man zweeg, hij bewoog zijn ogen heen en weer, van mij naar de politie en terug. Hij trok zijn wenkbrauwen op, het was de bedoeling dat ik deze keer het antwoord gaf.
‘Je mag geen vreemde vrouwen meer aanspreken,’ raadde ik.
Hij knikte zwijgend. Toen draaide hij zich om en liep weg. Het hondje schuifelde achter hem aan, het staartje tussen de pootjes gedrukt.