Levend-dood

De motor gromt wanneer we het Noordzeekanaal afdraaien. Zijkanaal C lonkt zilver tussen de groene oevers van Spaarnwoude. Eerst nog moeten we onder de oude weg naar IJmuiden door. Zo noemen wij de N202, want die naam klinkt even beheerst als zouteloos. De brug is hoog genoeg om er met opgeheven marifoonsprieten onderdoor te kunnen varen. Trots steekt Henriëtte haar neus in de wind.
Verbeeld ik het, of zucht ze? Verderop ligt een partij schepen die zich het best als kluit laat omschrijven. Wanneer je door je oogharen kijkt, lopen de vormen in elkaar over. Nautic 1 ligt vastgezogen aan Jannetje Z, Pax 2 opdringerig kop-aan-kont met Chimea R. Ze zien er niet uit alsof ze weten wat hen te wachten staat.
In Limburgs-Linnen lagen we eens wekenlang op een scheepssloperij. Henriëtte was het enige schip dat weer weg zou varen: zíj lag daar alleen omdat wíj zo nodig even ergens anders wilden wonen. Ze stak knap af tegen motorschip Swiebertje, dat mismoedig op één oor lag. Tegen sleper Victor R, waar de sloper het stuurhuis al af geslepen had. Je zou kunnen zeggen dat ze de enige levende was tussen de doden.
De motor ronkt diep in Henriëtte’s buik. Verbeeld ik het, of rilt ze? In Limburgs-Linne waren alle schepen rijp voor de sloop. Hier, in het nu grauwe water van zijkanaal C is dat andere koek. Binnen de kluit is er slechts één schip dat goed scheef ligt. Eén dode tussen de levenden. Deze schepen worden niet gesloopt omdat ze oud of op zijn, ze worden gesloopt omdat ze niet meer rendabel zijn.
Met snorrende motor glijdt Henriëtte langs de scheepsloperij. Toen we haar te koop zagen, was ook zij als vrachtschip onrendabel geworden. Toch hoefde haar schipper maar een blik op de sloperij in het zijkanaal te werpen, om te weten dat zijn gezonde Henriëtte niet levend-dood eindigen zou. Hij zou nog liever voor niets varen. Het was niet nodig. Als varend woonschip is ze meer dan rendabel.
Het snorren verdiept tot goedmoedig grommen. Ik verbeeld het niet, Henriëtte glimlacht.