Onplaatsbare heimwee

Ze ligt als een vlek op een plas donker water. Onbeweeglijk, keuze-loos. Wanneer ik passeer draait het vrachtschip plotseling bij; de grauwe reuzenkop vaart op ramkoers op de kade af. Ze glijdt zo stil, onhoorbaar zelfs, als ik blind zou zijn zou het water me scheeploos voorkomen. Er is geen maan maar het zwarte monster van minstens honderd meter lengte lijkt het restant van het nachtlicht op te zuigen. Als om zichzelf op te blazen tot nog meer volume nu het zich tot het land verhouden moet. Juist wanneer ze te dreigend dichtbij komt en ik door wil lopen, wordt op de brug het zoeklicht aangeknipt. Als een konijn voor een aanstormende auto blijf ik staan, alleen mijn hersens roepen dat dit schip mij niet overvaren kan.
‘N’avond’, de matroos is een klein silhouet op grote hoogte, het zwemvest hangt als een slap kind om zijn nek. Hij legt de landvast om de bolder en zwaait: het schip blijkt menselijk. Ik hoor de lieren draaien wanneer ik wegloop.
Nu we een haven verderop liggen om aan ons schip te klussen, wonen we tussen het werk. Mannen met luide stemmen om zich verstaanbaar te maken boven ronkende motoren om 6 uur in de ochtend. De geur van verf, van de eeuwige cyclus die scheepsonderhoud heet. Van diesel en staal. Van levende schepen.
Zo was het ook in de haven waar onze brievenbus staat. Nu schittert het licht op fietsenrekken en picknick-tafels, de kachelpijp heeft de uitlaatpijp praktisch overal vervangen. In deze haven is de mens het bewegend element. De schepen zijn  in diepe slaap verzonken, er is geen noodzaak te ontwaken nu er geen hart meer is dat brandstof verlangt.
Esther Gerritse schreef laatst over heimwee. Wanneer ze als kind moest huilen en niet wist waarom, wilde ze zeggen: ‘ik wil naar huis.’ Dat ze al thuis was maakte de zaak zo ingewikkeld dat ze maar liever haar mond hield. Nu ze als volwassen vrouw tussen een oud en een nieuw huis zwerft, steekt de verwarring de kop weer op. Op beide plekken wil ze steeds opnieuw ‘naar huis.’
‘Het is niet het huis dat een thuis maakt, het is de plek waar het staat,’ dacht ik. Misschien is een mobiel huis een verzachtend smeersel tegen niet plaatsbare heimwee.