Dwarsligger

In de Ardennen staan menselijke bossen. Voor mensen, door mensen. Het zijn geplante produktiebossen. De bomen staan strak in het gelid, als rijen soldaten die elkaar in de smiezen houden. Ze lijken elkaar het licht niet in de takken te gunnen en groeien zij aan zij als kool: jij een centimeter, dan ik ook een centimeter. Zo houden ze stand. Jarenlang; zo hoog en zo close, er kan geen zonnestraal meer doorheen. De grond eronder is verdord. Voor andersoortigen is hier geen plaats.
Niets menselijks is deze bomen vreemd. Ze lijken het gezellig te vinden, zo krap op elkaar. Om straks, samen, gekapt te worden en als identiek gezaagde stammetjes, samen, in de houtkachels van de berghuisjes te verdwijnen. Tot die tijd staan ze ruisend zij aan zij, als verticale strepen die alleen weinig voorstellen, maar samen een pentekening vormen.
Nu heerst er onrust in het bos. Tussen de rechte strepen, hangt een schuine. Een dwarsligger. Hij heeft zijn wortels los gewroet uit de grond, met de moed der wanhoop heeft hij een stap gezet. Hij had er geen zin meer in: meedoen met de rest.
Dat vergt moed. Ik aai de boom: eigenzinnigheid moet beloond worden. Het liefst gaf ik hem een paar voeten om weg te lopen van deze groepsterreur.