Droogligger

De Katse-plaat ligt onschuldig verstopt naast de vaargeul. Nu nog stroomt de  Oosterschelde door tot de Zeedijk, die met nieuwe steenblokken verzwaard wordt. Het is zaterdag, de graafmachines rusten met hun koppen in het zand, er is geen mens die het water straks zal zien zakken. Behalve wij dan.
We varen de Henriëtte de vaargeul uit, langs de staken, de onzichtbare Katse-plaat op. Met de slaggaard prik ik het schip langs; het is zaak overal evenveel diepte te voelen. Urenlang scheefliggen op een hellende zeebodem is bepaald geen pleziertje zo vertellen scheepsjournalen van onwetenden en andere ongelukkigen. Eenmaal vast aan het anker, draait Henriëtte haar kop in de wind. Onbevreesd wacht ze op wat komen gaat.
Het water zakt. De zeebodem wordt zichtbaar. Kwallen drijven mee op de stroom die hen naar diepere geulen trekt. Tentakels slepen als afgezakte bruidssluiers achter kwabbige lichamen aan. Het duurt even tot de hak van het schip de grond raakt. ‘Touch down,’ roepen mijn vriend en ik. Zuchtend vlijt Henriëtte zich op het zand. Nu en dan kraken haar stalen flanken: ze is niet gewend zichzelf te dragen.
De oude schippers van de Henriëtte lieten haar droogvallen voor onderhoud. Schelpensteken en teren: als ze opschoten kon het in twee keer laagtij gebeurd zijn. Wij doen hetzelfde, op het teren na. We zouden als milieucriminelen worden afgevoerd. Met houten stekers gaan we de scheepswanden te lijf. Schelpen happen naar adem: het zout van Zeeuws water had hen misselijk gemaakt, maar droog liggen is de hel. Onbarmhartig, met gulzige halen, steken wij ze af.
Na het werk wandelen we over de zeebodem. We mijden de oesterschelpen die als haaientanden uit het zand steken. De enige die geen wonden in zijn voetzolen oploopt, is mijn hond. Die heeft radar in al zijn poten. Op afstand bekijken we Henriëtte. Ze toont heel haar naakte lichaam zonder gene. Het anker ligt als een verweesd dier verderop op het zand, de ketting verbindt hen als een Henriëtte navelstreng.
Wanneer het water opkomt, gaan wij weer aan boord. Even lijkt Henriëtte te rillen, maar ze herstelt zich snel. Mijn schip heeft geen koudwatervrees.